DISC is de evolutie van de observatie van menselijk gedrag door denkers uit alle tijdperken



Zo oud als de mensheid
De observatie en studie van menselijk gedrag zijn zo oud als de mensheid zelf. In de loop van de geschiedenis hebben talloze denkers nagedacht over waarom mensen doen wat ze doen. Allemaal merkten ze gemeenschappelijke gedragingen op bij verschillende typen mensen. Veel van deze vroege filosofen en geleerden legden de basis voor moderne theorieën en principes over menselijk gedrag.
Ook de DISC-taal, als hedendaags kader om gedrag te begrijpen, is uit vergelijkbare observaties ontstaan.
De zoektocht naar inzicht in menselijk gedrag is door de geschiedenis heen een centraal thema geweest in uiteenlopende disciplines, van filosofie en psychologie tot sociologie en antropologie.
Oude beschavingen, waaronder de Griekse en de Egyptische, verdiepten zich in de aard van menselijk handelen en de drijfveren daarachter. Hun doel was te begrijpen wat mensen in wezen drijft.
In de vroege fasen van de studie van menselijk gedrag overheerste de filosofische verkenning. Denkers als Aristoteles en Plato formuleerden theorieën over de menselijke natuur en het menselijk gedrag.

1875-1961 n.Chr.
Carl Jungs theorie van de psychologische typen is een hoeksteen van zijn analytische psychologie. Hij stelde dat verschillen in gedrag voortkomen uit aangeboren voorkeuren in de manier waarop mensen de wereld waarnemen en beslissingen nemen. Jung onderscheidde twee primaire tweedelingen van cognitieve functies:
Daarnaast introduceerde Jung de begrippen extraversie en introversie als houdingen die de richting van deze cognitieve functies beïnvloeden.
Extraverte mensen zijn naar buiten gericht, op de externe wereld, en halen energie uit interactie en actie. Introverte mensen zijn naar binnen gericht, op de innerlijke wereld, en halen energie uit reflectie en alleen zijn.
Deze cognitieve functies en houdingen vormen samen verschillende persoonlijkheidstypen.
Iemand kan bijvoorbeeld een extravert denktype of een introvert gevoelstype zijn. Jungs psychologische typen boden een kader om de uiteenlopende manieren te begrijpen waarop mensen de wereld waarnemen en beslissingen nemen.

129-216 n.Chr.
Galenus, een invloedrijke Griekse arts en filosoof, bouwde voort op de theorie van de vier lichaamssappen van Hippocrates en koppelde deze explicieter aan persoonlijkheidstypen. Volgens de theorie van Galenus beïnvloedde het evenwicht of onevenwicht van deze sappen in het lichaam niet alleen de lichamelijke gezondheid, maar ook psychologische eigenschappen en temperamenten.
In de theorie van Galenus over de vier lichaamssappen komt elk sap overeen met een eigen persoonlijkheidstype:
Sanguinische mensen, beïnvloed door het bloed, zijn doorgaans optimistisch, sociaal en enthousiast, al kunnen ze impulsief zijn.
Cholerische persoonlijkheden, verbonden met gele gal, zijn gepassioneerde, ambitieuze en assertieve leiders, maar vaak opvliegend.
Mensen met een melancholisch temperament, beïnvloed door zwarte gal, zijn introspectief en analytisch, maar kunnen neigen tot angst en somberheid.
Tot slot zijn flegmatische mensen, beheerst door het slijm, kalm, betrouwbaar en rationeel, en staan ze bekend om hun vermogen de vrede te bewaren. Soms worden ze echter gezien als weinig ambitieus en afkerig van verandering.
De interpretatie van de lichaamssappen door Galenus had een grote en blijvende invloed op de geneeskunde en psychologie van de middeleeuwen en de renaissance. Zijn werk beïnvloedde het begrip van persoonlijkheid tot ver in de 18e eeuw. Hij verbond lichamelijke gezondheid met psychisch welzijn en persoonlijkheidskenmerken.

400 v.Chr.
Hippocrates, vaak de ‘vader van de geneeskunde’ genoemd, staat bekend om zijn invloedrijke theorieën over de lichaamssappen, die hij uitbreidde om persoonlijkheidskenmerken te verklaren.
De persoonlijkheidstheorie van Hippocrates, geworteld in het concept van vier lichaamssappen, verbond individuele temperamenten met het evenwicht tussen deze vloeistoffen.
Het sanguinische temperament, verbonden met het bloed, beschreef mensen als sociaal, optimistisch en actief, met een zorgeloze en impulsieve aard, vergelijkbaar met het element lucht.
Het cholerische temperament, verbonden met gele gal, typeerde mensen daarentegen als vurig, gepassioneerd en ambitieus, vaak assertief en dominant, verwant aan het element vuur.
Zwarte gal werd op zijn beurt in verband gebracht met het melancholische temperament: introspectieve, bedachtzame mensen met een neiging tot somberheid, vaak analytisch en detailgericht, wat het element aarde weerspiegelt.
Tot slot beschreef het flegmatische temperament, verbonden met het slijm, mensen als kalm, betrouwbaar en ontspannen, doorgaans passief en consistent, vergelijkbaar met het element water. De overtuiging dat deze sappen de lichamelijke gezondheid en de emotionele toestand van mensen beïnvloedden, vormde de basis van Hippocrates' opvatting over persoonlijkheid.

444 v.Chr.
Empedocles, een presocratische Griekse filosoof, stelde een theorie op van vier klassieke elementen waaruit volgens hem het fysieke universum bestond: aarde, lucht, vuur en water. Hoewel Empedocles deze elementen niet rechtstreeks toepaste op persoonlijkheidstheorieën zoals wij die nu kennen, legden zijn ideeën de basis voor latere opvattingen over persoonlijkheid in de antieke geneeskunde en filosofie.